Hoofdstuk 4. Kanchanaburi

This entry is part 5 of 8 in the series De Hel van Bangkok
.

Parichat is afkomstig uit de provincie Kachaniburi; uit een dorp in de buurt van de stad Kanchanaburi. Hier hadden haar ouders een kleine suikerriet plantage. Ze had hier voor zichzelf een veel grotere suikerriet plantage gekocht samen met haar vriendin Pon. Pon leidde de plantage als ze niet in de villa was, dit deed ze om en om met Parichat. Ze waren er nu beiden, ze hadden wat te bespreken.

Het was die dag zinderende warm in Kanchanaburi, de hitte hing als een loden deken over de suikerrietplantage. Het riet stond dik drie meter hoog, een ondoordringbare muur van groen. Tussen de gewassen klonk het monotone, schrapende geluid van kapmessen. De slaven—vluchtelingen uit Myanmar zonder paspoort of rechten—werkten zich in het zweet. Hun lichamen waren bedekt met stof en striemen van de scherpe rietbladeren.

Toen verstomde het geluid van de messen. In de verte klonk het ritmische, zware geklop van hoeven. De angst was direct voelbaar; de Meesteres was op het land. Parichat en haar één jaar oudere vriendin Pon reden zij aan zij het veld op, gezeten op twee gitzwarte, glanzende Friese paarden. Hun kleding was een zorgvuldig gekozen uiting van absolute dominantie.

Beiden droegen op maat gemaakte, flinterdunne zwarte lederen plissérokjes die bij elke beweging van het paard zachtjes ritselden, daaronder hun ontblote, zongebruinde benen, die in speciaal gemaakte kniehoge lederen rijlaarzen met naaldhak staken. Hun laarzen waren uitgerust met glimmende, zilveren sporen die bij elke stap van de paarden een ijskoud metalen tikken lieten horen. Parichat droeg een strak, mouwloos satijnen korset dat haar vrouwelijke vormen accentueerde, terwijl Pon een kort, leren topje aan had.

Beiden hadden hun lippen bloedrood gestift en droegen donkere zonnebrillen, wat hen een emotieloze, bijna goddelijke uitstraling gaf. In hun gehandschoende handen hielden ze korte, zware lederen rijzwepen vast. Parichat trok haar paard abrupt stil vlak voor een jonge slaaf die trillend op zijn knieën viel, zijn blik strak naar de modder gericht. Niemand mocht hen rechtstreeks aankijken.

“Je tempo ligt te laag,” zei Parichat met een ijzige, fluisterende stem in het Thais.

Ze leunde lichtjes voorover in haar zadel, waardoor het lederen rokje iets opkroop. Haar laars spande zich aan en met een gerichte, soepele beweging haalde ze de zweep uit. Het leer van de zweep riem sneed door de lucht en raakt de slaaf vol op zijn ontblote rug. Er sprong meteen een bloedrode striem open. De man kermde, maar durfde zich niet te verroeren.

Pon lachte zachtjes, een melodieus maar wreed geluid. Ze gaf haar paard de sporen en reed rakelings langs een rij slaven. De glanzende hoeven van haar paard misten hun blote voeten op een haar na.

“Als de oogst morgen niet binnen is, gaan jullie allemaal de loods in,” waarschuwde ze, terwijl ze de zweep speels tegen haar eigen lederen laars tikte. Ze pikten er drie slaven uit die volgens de opzichters die week traag waren geweest. Onder toezicht van een van hun loyale kathoey-opzichters werden de mannen geboeid en achter de paarden afgevoerd richting de grote, golfplaten loods aan de rand van het veld.

Binnen in de loods was de hitte verstikkend. De geur van benzine, roest en oud zweet hing in de lucht. Parichat en Pon stegen soepel af. De hakken van hun laarzen klikten luid op de betonnen vloer, hun sporen rinkelden, een angstaanjagend geluid dat door de holle ruimte echode. De drie slaven werden met hun polsen aan dikke, ijzeren kettingen geketend die aan de dakbalken hingen. Hun voeten raakten de grond nauwelijks.

Pon liep langzaam om hen heen. Het zachte ritselen van haar lederen plissérokje en het geluid van haar sporen waren het enige geluid in de ruimte. Ze stopte achter de eerste man, greep zijn haren vast en trok zijn hoofd naar achteren.

“Vandaag leren we jullie wat gehoorzaamheid betekent,” fluisterde ze in zijn oor.

Ze stapte achteruit en knikte naar Parichat. Parichat pakte een zwaardere bullenpees. Met berekende, ritmische slagen begon de tuchtiging. Het slaan was niet in blinde woede; het was een berekende demonstratie van har macht. Elke klap was raak en de Meesteressen wisselden elkaar af, genietend van de macht die ze uitoefenden. De hitte, het zweet dat van hun eigen lichamen parelde, en het smeken van de mannen wondt hen zichtbaar op. Hun rokjes bolden op van hun opwinding. De aanwezigen in de loods zaten geknield en gedwongen toe te kijken.

Na de geseling was de straf nog niet voorbij. Terwijl de mannen bloedend en uitgeput aan de kettingen hingen, gaf Parichat de geknielde slaven opdracht om de gestraften te laten zakken. De beide dames stonden nu voor hun gestrafte en gebroken slaven. Onder hun rokje uit priemden nu hun staalharde erecties. Parichat en Pon stapten naar voren voor het seksuele misbruik. Het was een ultieme daad van vernedering. Met ijzige blikken dwongen ze de geboeide, weerloze mannen om hun stijve lid tot diep in de keel te nemen, waarbij de Meesteressen totale controle behielden en hun rijzweep niet spaarden. Ze gebruikten hun dominantie en de fysieke uitputting van de slaven om hen volledig te breken, zowel lichamelijk als mentaal. Alle aanwezigen keken geknield stiekem toe naar dit vertoon van macht.

Toen ze klaar gekomen was, werkte Pon haar lippenstift bij en trok haar lederen rokje glad. Ze keek neer op de gebroken mannen op de betonvloer. Niet één had wat uitgespuwd, dit is wat goede training doet.

“Nu gaan jullie terug naar het veld,” zei ze koud.

Ze draaide zich om, haar sporen rinkelden op het beton, en samen met Parichat liep ze richting deur, de zinderende tropische middag weer in, alsof er niets gebeurd was. De opzichters—twee lange, in strakke legerbroeken geklede kathoeys—maakten de bloedende slaven los van de kettingen. Ze schopten hen ruw overeind.

“Lopen, honden!”

Op dat moment schoof de loodsdeur met een luid, metalen geknars open. Het felle zonlicht sneed door de schemering van de ruimte. De slaven werden haastig via de achterdeur de suikerrietvelden in gejaagd, ver weg uit het zicht. Aan de voorkant van de loods stapte een man naar binnen. Het was kolonel Suchart, de lokale politiechef van Kanchanaburi. Hij droeg zijn strakke, khaki politie-uniform, compleet met gouden insignes en een zware koppelriem. Buiten glansde zijn gepantserde politiewagen in de zon.

Zodra de zware loodsdeur achter hem dichtviel en de opzichters buiten de wacht hielden, veranderde de houding van de machtige politiechef op slag. Er waren geen ondergeschikten meer die hem konden zien. Parichat en Pon stonden hem op te wachten, de ruggen recht, de armen over elkaar geslagen. De beide dames waren een toonbeeld van dominantie en sensualiteit in hun zeer korte geplooide leren rokjes, hun laarzen met stiletto heels, hun zeer erotische topjes die hun borsten grotendeels ontbloten. Suchart slikte zichtbaar. De angst en opwinding streden om voorrang op zijn gezicht. Zonder dat er een woord werd gewisseld, zakte de kolonel door zijn knieën op het harde beton. Hij boog zijn hoofd diep voor de met leer beklede voeten van Parichat.

“Meesteres,” fluisterde de man die buiten over leven en dood beslist, terwijl hij met zijn voorhoofd de neus van haar glanzende rijlaars aanraakte.

Parichat keek ijzig op hem neer. Ze tilde haar voet op en plantte de hak van haar laars op zijn achterhoofd, daarna dwong ze hem haar laarzen en die van Pon te kussen. Normaal diende hij Pon maar als ze beiden samen waren dan was voor Suchart de hiërarchie duidelijk. Pon deed haar rijzweep onder zijn kin en liet hem haar aankijken.

“Je bent laat, Suchart,” zei ze met een stem als vloeibaar ijs.

“Er liep vanmorgen een legerpatrouille langs de zuidkant van de plantage.

“Wat heb ik je verteld over controle?”

Suchart ademde zwaar er flikkerde een masochistische glans in zijn ogen.

“Het was een routinecontrole van de grenspolitie uit Bangkok, Meesteres. Ik kon het niet annuleren zonder achterdocht te wekken. Maar ik heb hen weggestuurd. Ik heb gezegd dat dit terrein onder mijn persoonlijke inspectie valt vanwege illegale houtkap. U bent veilig. Ik bescherm U. Altijd.”

Pon duwde met haar rijzweep tegen Sucharts kin, waardoor zijn hoofd nog verder omhoog werd gedwongen.

“Dat mag ik hopen ook. Want je weet wat er gebeurt als er één kink in de kabel komt.

“Je wordt betaalt Suchart, als hier politie over de vloer komt……”

“Niemand komt hier, Meesteres Pon,” onderbrak Suchart haar haastig, zijn stem trilde van de spanning.

“Het district is van mij. De papieren van de farm staan op naam van een stroman die niet eens bestaat. In het systeem is deze plantage een spookbedrijf. Zolang U hier niet fysiek door de federale politie uit Bangkok met de zwepen in de hand worden betrapt, bent U onschendbaar. Niemand in de provincie kent uw echte namen.”

Dit was natuurlijk niet waar; ze waren hier vlakbij geboren en hadden hun jeugd hier doorgebracht, maar dit wist hij niet, hij kwam zelf niet van hier. Dit was de ijzeren realiteit van hun operatie. Parichat en Pon waren administratieve schimmen. In Bangkok stond de villa wel op haar naam en die van drie anderen.

Hier in Kanchanaburi regeerde ze samen met Pon, maar niemand die wist wie ze waren. Ze handhaafden met harde hand de discipline op de plantage, ze beschikten over het leven van hun slaven. Ze genoten met duivels plezier van hun macht en toonden zich graag als Meesteres te paard.

De angst in de ogen van hun ondergeschikten werkte op hun als een afrodisiac. Ze waren beschermd door de corruptie van de man die nu aan hun voeten lag. Als de autoriteiten ooit een inval zouden doen, zouden ze alleen illegale migranten en een lege loods aantreffen. De dames zouden al lang verdwenen zijn in de anonimiteit van de miljoenenstad.

Parichat gaf, de politiechef, met de zijkant van haar voet een harde schop tegen zijn schouder.

“Goed. Zorg dat het zo blijft. En nu, kruip je achter ons aan. Je wordt nu gestraft omdat je ons hebt laten wachten.”

Suchart gehoorzaamde onmiddellijk. De politiechef van de provincie kroop op zijn knieën achter de heupwiegende dames, in hun korte rokjes, aan dieper de schaduw van de loods in. Even later lag Suchart ligt in zijn onderbroek op zijn buik op het koude beton, zijn gezicht tegen de stoffige vloer gedrukt, geen uniform, geen autoriteit. Parichat stond wijdbeens over hem heen. Het zachte ritselen van haar lederen plissérokje is het enige geluid in de zinderende ruimte.

“Je uniform is je trots, nietwaar Suchart, maar zonder uniform stel je niets voor slaaf?” fluisterde Parichat koud.

Ze gaf Pon een knikje. Die stapte naar voren, haar laarzen klikten op het beton. Ze trok zijn onderbroek hardhandig naar beneden. Suchart gaf geen krimp; hij ademde slechts zwaarder, trillend van de perverse opwinding over zijn eigen ontluistering. Parichat tilde haar kniehoge lederen laars op en plantte haar glanzende hak met volle kracht op zijn ontblote billen. Haar zilveren spoor liet een scherpe, rode kras achter.

“Je bent geen kolonel in deze loods. Je bent een hond,” sneerde ze.

Ze haalde de zware rijzweep achterwaarts door de lucht. Het leer kwam hard neer op zijn huid. Suchart kreunde luid, zijn vingers klauwend in het stof. Pon lachte zachtjes en dwong hem met de punt van haar laars om haar voeten te kussen terwijl Parichat hem ritmisch bleef slaan.

De machtigste man van het district was gereduceerd tot niets. Plotseling werd de zware loodsdeur met een klap opengegooid. Het felle zonlicht sneed door de ruimte. De oudste kathoey-opzichter stormde naar binnen, zweet glanzend op haar voorhoofd.

“Meesteressen! Mijn excuses,” heeg ze, terwijl ze snel haar blik afwende van de naakte politiechef op de grond.

“Eén van de Birmese slaven… de jonge die vanmorgen is gestraft. Hij heeft de bewaker bij het suikerriet aangevallen en is gevlucht richting de grensrivier!”

De sfeer in de loods sloeg direct om in ijzige woede. Parichat stapte weg van Suchart. Haar gezicht werd een masker van sadistische vastberadenheid.

“Suchart, kleed je aan. Je blijft hier en knap jezelf op,” beveelde ze kortaf.

“Wij halen hem zelf.”

Binnen enkele minuten zaten Parichat en Pon weer in het zadel van hun gitzwarte Friese paarden. Ze jaagden hun paarden in galop door de smalle paden van de plantage. Het was een angstaanjagend beeld: de metershoge suikerrietstengels zwiepten langs hun lederen rokjes en glanzende laarzen. Het was een meedogenloze klopjacht.

De slaaf, verzwakt en op blote voeten, maakte geen schijn van kans tegen de pure snelheid en kracht van de paarden. Vlak voor de dichtbegroeide grensstrook haalde Parichats paard hem in en sneed hem af. Hij probeerde nog een aanval met zijn gestolen kapmes te doen.

Een gerichte slag van haar zweep dwong hem op de knieën en met een perfect gecoördineerde beweging wierp Pon een lasso over hem heen. De lus sloot zich strak om het bovenlichaam van de vluchteling. Zonder te stoppen keerde Pon haar paard en sleepte ze de smekende, bebloede man in draf helemaal terug over de stoffige zandpaden van de plantage.

Eenmaal terug in de loods werd de sfeer ijzig. Alle overige slaven waren verzameld door de opzichters om getuige te zijn van de consequenties van een vluchtpoging. Iedereen wist wat er stond te gebeuren. Kolonel Suchart stond er onberispelijk in zijn uniform bij, als de stille, corrupte bewaker van hun geheim.

In het midden van de loods lag de vluchteling, vastgeketend aan de dikke ijzeren ringen in de betonvloer, zwaar ademend en bedekt met schaafwonden. Parichat en Pon stonden voor hem, nog steeds met hun zwepen in de hand. Hun make-up zat nog perfect ondanks de wilde jacht. De doodse stilte in de loods was verstikkend; de verzamelde slaven keken doodsbang naar de grond.

“Dit is wat er gebeurt met ongedierte dat denkt te kunnen ontsnappen,” sprak Parichat met luide, heldere stem die galmt tegen het golfplaten dak. Een opzichtster vertaalde haar Thais in het Birmees. Ze keek Pon aan, die langzaam haar hand naar de holster aan Sucharts koppelriem bewoog. Suchart veroerde zich niet; hij liet het gelaten toe. Pon trok de zware, zwarte politierevolver van de kolonel eruit. Het metaal glansde onheilspellend in het schaarse licht. Het gebruik van het wapen van de politiechef was de ultieme vernedering en tegelijk de perfecte cover-up.

Pon stapte tot vlak voor de knielende slaaf, haar erectie was duidelijk te zien onder haar rokje. Ze zette de koude loop van de revolver recht tegen zijn voorhoofd. De man sloot zijn ogen en begon zachtjes te bidden in het Birmees.

“Kijk me aan,” beval Pon koud.

Toen de slaaf zijn ogen opende en in de donkere glazen van haar zonnebril keek, haalde Pon zonder aarzelen de trekker over. Een oorverdovende knal echode door de holle loods. Het lichaam van de slaaf klapte slap achterover op het beton. Een plas bloed breed zich snel uit.

Verschillende slaven snikten zachtjes, maar niemand durfde te bewegen uit angst. Pon gaf de rokende revolver met een sierlijke zwaai terug aan Suchart. De politiechef pakte het wapen aan, wetende dat de kogel uit zijn eigen dienstwapen kwam. Hij zat er nu nog verder in.Parichat tikte met haar rijlaars tegen het levenloze lichaam.

“Ruim dit op,” zei ze ijskoud tegen de opzichters.

“En de rest: terug naar het suikerriet. Nu.”

Terwijl de loods haastig werd geleegd, liepen Parichat en Pon rustig richting naar de uitgang. Hun sporen rinkelen ritmisch op het beton, alsof ze net klaar zijn met een alledaagse inspectie. Niemand kent hun namen, niemand zal hen berechten. Zij bezitten dit land, de mensen, en de wet.

De Hel van Bangkok

Hoofdstuk 3. Het Privé-Imperium Hoofdstuk 5. De Nieuwe Orde in de Kelder

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *